Het statuut van de spoormedewerker is geen historisch privilege, maar een essentiële pijler onder een veilige, betrouwbare en toegankelijke spoorwegdienstverlening. Het vormt de basis waarop continuïteit, deskundigheid en verantwoordelijkheid binnen het spoor worden gegarandeerd, in het belang van zowel de werknemers als de reizigers.
Een statutaire tewerkstelling biedt stabiliteit. Die stabiliteit is cruciaal in een sector waar veiligheid, technische kennis en operationele nauwkeurigheid centraal staan. Spoorwegactiviteiten vereisen jarenlange opleiding, permanente bijscholing en ervaring op het terrein. Het statuut maakt het mogelijk om deze kennis duurzaam op te bouwen en te behouden binnen de organisatie, in plaats van ze te laten verdwijnen door hoge personeelsrotatie of tijdelijke contracten.
Bovendien creëert het statuut de noodzakelijke onafhankelijkheid om veiligheid en kwaliteit boven kostenbesparing te plaatsen. Medewerkers die beschermd zijn door een statuut kunnen beslissingen nemen en problemen signaleren zonder druk van winstdoelstellingen of contractuele onzekerheid. Dit is geen detail, maar een fundamentele voorwaarde voor een sector waarin fouten directe gevolgen kunnen hebben voor mensenlevens.
Internationale voorbeelden tonen aan wat er gebeurt wanneer dit evenwicht verdwijnt. In landen waar het spoor verregaand werd geliberaliseerd, zoals Duitsland, is een aanzienlijk deel van de treinritten overgenomen door private operatoren. De concurrentiedruk dwong ook de nationale spoorwegmaatschappij tot kostenbesparingen. Het resultaat is een dalende stiptheid en een toename van technische incidenten, grotendeels veroorzaakt door uitgesteld of verminderd onderhoud.
Ook recente gebeurtenissen in Spanje illustreren de risico’s van een model waarin onderhoud en veiligheid worden herleid tot variabele kostenposten. Volgens berichtgeving heeft concurrentiedruk daar geleid tot een verregaande beperking van onderhoudswerkzaamheden, met zware gevolgen. In de eerste plaats gaat onze steun en ons medeleven uit naar de slachtoffers en hun families. Tegelijk toont dit aan hoe gevaarlijk het is wanneer essentiële veiligheidsinvesteringen ondergeschikt worden gemaakt aan marktlogica.
Het statuut beschermt niet enkel de werknemer, maar ook de reiziger. Het garandeert dat spoorwegpersoneel werkt binnen een kader van verantwoordelijkheid op lange termijn, met duidelijke procedures, voldoende middelen en een focus op publieke dienstverlening in plaats van op kortetermijnwinst. Hierdoor blijft het spoor toegankelijk en betaalbaar voor iedereen, ook voor de miljoenen pendelaars die dagelijks afhankelijk zijn van een betrouwbare treinverbinding.
Het alternatief is een tweedeling: ofwel een goedkope dienstverlening zonder garanties, met onvoorspelbare stiptheid, beperkte ondersteuning en verminderde veiligheid, ofwel een hoogwaardige maar dure dienstverlening, onbetaalbaar voor de gemiddelde gebruiker. Het huidige model, met statutaire medewerkers, biedt een derde weg: geen perfect systeem, maar wel een evenwichtige, veilige en sociaal verantwoorde dienstverlening.
Het verdedigen van het statuut is daarom geen achterhoedegevecht, maar een keuze voor kwaliteit, veiligheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het is een investering in de toekomst van het spoor en in het vertrouwen van de reiziger.
Wie het statuut afbouwt, neemt bewust grotere risico’s met de dienstverlening. De vraag die zich dan ook opdringt, is eenvoudig maar fundamenteel: willen wij een spoor dat gestuurd wordt door publieke verantwoordelijkheid, of door loutere marktlogica?