Het ontwerp van protocolakkoord werd door het personeel verworpen.
Toch schuift deze regering die beslissing moeiteloos terzijde. In plaats van opnieuw te onderhandelen over een evenwichtig en werkbaar akkoord, wordt het nu eenzijdig doorgedrukt.
Stakingen, acties en herhaalde oproepen om terug te keren naar de onderhandelingstafel hebben niets opgeleverd. En wat zien we vandaag? Het ontwerp wordt zonder meer voorgelegd aan het NPC. Dat is geen stap vooruit, maar het bewijs van het falen van een gezond onderhandelingsmechanisme. Het toont duidelijk aan dat de sociale dialoog niet ernstig wordt genomen.
Wanneer men het standstill-beginsel inroept omdat er “geen degelijk akkoord” zou zijn bereikt, betekent dat in de praktijk dat er niet verder onderhandeld wordt, maar dat men de regels zó aanpast dat ze zonder akkoord toch kunnen worden goedgekeurd. Binnen het NPC kan, indien men dat nodig acht, worden afgeweken van de vereiste tweederdemeerderheid, zogezegd omwille van het belang van de dienst, de efficiëntie van het bestuur en de continuïteit van de openbare dienst, in dit geval de werking van de Spoorwegen.
Maar wat betekent dit concreet?
Na één maand gaat het dossier automatisch naar het Sturingscomité, waar opnieuw een tweederdemeerderheid nodig is. Wordt die niet bereikt, dan schuift het door naar het Escalatiecomité, dat uiteindelijk kan beslissen met een gewone meerderheid.
En dat, collega’s, is bijzonder zorgwekkend. Op deze manier wordt het NPC (in bepaalde gevallen) volledig buitenspel gezet. Het verwordt tot een verplicht tussenstation, zonder echte invloed op de uiteindelijke beslissing.
Daarbovenop wordt verwezen naar de wet van 15 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en paritaire comités, om onze comités gelijk te schakelen met die van de privésector. Maar die vergelijking gaat helemaal niet op. Waar in de privésector spontane acties vaak worden gedoogd, worden ze bij onze werknemers zwaar bestraft. De ‘wapens van strijd’ zijn in de openbare sector tot een minimum herleid. En de minimale dienstverlening maakt het quasi onmogelijk om via een alarmbelprocedure nog enige lokale actie te organiseren.
Dit alles ondergraaft niet alleen de sociale dialoog, maar ook het vertrouwen van het personeel in de procedures die hun rechten zouden moeten beschermen.
De contractuele aanwervingen worden bovendien vervroegd naar 1 juni 2026.
Ook hier wordt opnieuw een vervroeging eenzijdig doorgedrukt, terwijl in het verworpen voorakkoord nog sprake was van 1 januari 2028.
Deze contractuele aanwervingen vormen een gevaarlijk precedent. In een omgeving zoals de Spoorwegen, waar veiligheid altijd op de eerste plaats staat, worden medewerkers vandaag beschermd door hun statuut. Dat statuut geeft hen de onafhankelijkheid en de moed om, wanneer de omstandigheden dat vereisen, een duidelijke halt toe te roepen aan onveilige of risicovolle situaties.
Maar kunnen contractueel aangeworven werknemers dezelfde keuze maken?
Zullen zij nog durven ingrijpen wanneer veiligheid in het gedrang komt, wetende dat hun contract eenzijdig kan worden beëindigd, en dat men hen onder druk van vertragingen, operationele verwachtingen of andere belangen kan verwijten dat zij “de werking hinderen”?
Het risico bestaat dat mensen in contractuele statuten minder snel geneigd zijn om de juiste veiligheidsbeslissing te nemen, uit angst voor de gevolgen voor hun job. En dat is niet alleen onverantwoord, maar potentieel gevaarlijk voor zowel personeel als reizigers.
Bovendien zal het beëindigen van het statuut voor nieuwe werknemers een spoorweg met twee snelheden creëren. Er zal bijzonder nauw op toegezien moeten worden dat contractueel personeel niet wordt voortgetrokken tegenover statutair personeel. De eerste tekenen zijn vandaag al zichtbaar: er worden nu al functies en profielen gecreëerd die duidelijk op maat zijn van contractueel personeel. Dit bevestigt onze vrees dat men via de achterdeur een systeem invoert waarin twee categorieën werknemers naast elkaar bestaan, met verschillende rechten, zekerheden en kansen.
Het verdere opsplitsen van de entiteiten zal bovendien nog meer onrust en vragen oproepen bij het personeel. Waar op de werkvloer steeds duidelijker wordt dat voor het personeel van Infrabel een relatief duidelijke toekomst is uitgetekend, heerst bij het NMBS-personeel vooral onzekerheid. Veel collega’s vragen zich af of de NMBS niet evolueert naar een bodemloos vat, een verhaal waarvan het script al geschreven lijkt als een thriller die eindigt als een bijzonder slechte film.
Personeelsleden voelen zich steeds meer in de steek gelaten door de entiteiten, de regering en zelfs door de publieke opinie. De aantrekkelijkheid van de job neemt hierdoor snel af, wat ook duidelijk naar voren kwam in recente enquêtes. Steeds meer collega’s stellen zich de vraag of het nog wel loont om te blijven, nu de voorwaarden zo drastisch worden gewijzigd. Velen noemen dit zelfs een vorm van contractbreuk.
Men beweert dat men naar een “model zoals in de privésector” wil evolueren, maar de voordelen die daar bestaan worden niet mee overgenomen. De besparingen gebeuren opnieuw op de kap van de gewone arbeider alsof zij verantwoordelijk zouden zijn voor de financiële put die anderen hebben achtergelaten.
Ten slotte kan men zich afvragen of de voorwaarden van het voorakkoord niet op voorhand al als onaanvaardbaar voor het personeel werden beschouwd, om vervolgens onder het mom van zogenaamde onderhandelingen een pseudodialoog te voeren. Zo kan men nadien in de pers gemakkelijk stellen dat het personeel “onredelijk” zou zijn, dat wij “onmogelijk” zouden zijn om mee te werken, dat wij “dinosaurussen” zijn die hun zogezegde gouden kooi niet willen opgeven.
Op die manier wordt ons personeel afgeschilderd als profiteurs van de maatschappij. Een framing die niet alleen onjuist is, maar ook bijzonder schadelijk.